Zeilen met de DAYDREAM

 

Over
 ons
2001
Kroatie
 
2002
Kroatië
Griekenland
2003
Griekenland
Turkije
2004
15 e
EMYR
2005
Egeïsche Zee
2006
17 e
EMYR
2007 - 2008

Spelevaren

2009
20e
EMYR

 

Zeilen 
   met
Parkinson

 

 

2005:
Een rondje Egeïsche Zee 

 

 

Op reis  

Nadat we op 13 april de boot te water hebben gelaten, varen we tegen het eind van de maand Marmaris uit. We laten een haven achter met veel kennissen, veel gezelligheid, goede zeilfaciliteiten en de voor mij nooit genoeg geprezen bibliotheek.

We gaan snel naar het zuiden, naar de Golf van Fethiye, waar mijn moeder de eerste week van mei op bezoek komt. Het is een prachtig zeilgebied, met gematigde wind en we hebben een prima tijd met elkaar.

                                                                          

Na haar vertrek zijn we nog wat onzeker over de route die we deze zomer willen nemen, maar de start is duidelijk: we willen eerst naar de Dodekanesos, de meest zuidoostelijke groep Griekse eilanden, vlak voor de Turkse kust. De bekendste twee hiervan zijn Rhodos en Kos.

 

De Sporaden

Symi

Half mei liggen we dan ook op het prachtige eiland Symi. in een baai omzoomd door pastelkleurige huisjes. Een compleet verschillend beeld van de Turkse bebouwing die we gewend zijn. We zijn meer dan een jaar niet in Griekenland geweest en we vinden het weer schitterend!  De huizen zijn zo mooi van kleur en vorm, met driehoekige topgevels, neoklassiek. En de verrassende kleuraccenten van geschilderde deuren en luiken, bloemen en potten zijn erg aantrekkelijk. Later zullen we ontdekken dat Symi heel bijzonder is, qua huizen veel mooier dan de meeste andere eilanden  van de Sporaden.

                                      

 

 We staan er weer verbaasd van dat er een dergelijk groot verschil kan bestaan tussen twee culturen, die letterlijk op een steenworp afstand van elkaar leven. Symi ligt ingeklemd in de oksel van het Turkse vasteland, je kunt
‘s avonds de lichtjes van de huizen aan de overkant zien, maar er is een wereld van verschil.

Het is vooral verbazend dat de Griekse cultuur hier stand heeft kunnen houden terwijl de eilanden toch ongeveer 1000 jaar niet meer zelfstandig zijn geweest. Eerst kwamen de Kruisridders, die in 1522 verslagen werden door de Turken. In 1912 werden de Italianen hier de baas en pas in 1947 werd deze eilandengroep officiëel deel van Griekenland, dus pas zo’n 60 jaar geleden. Toch zijn de eilanden zowel visueel als cultureel compleet Grieks. Het enige verschil met d andere eilanden is de belastingreductie die hier op alcohol geldt en nog stamt uit de Turkse tijd

 Het stadje Symi zelf is te bereiken door vanaf de baai langs een slingerende weg geflankeerd oor eucalyptusbomen omhoog te klimmen. Van boven daalt aan de andere kant van de heuvel de stad trapsgewijs af naar het oude haventje. Er staan veel huizen in compleet vervallen staat. 

                             

Dit eiland is groot geworden door de scheepsbouw en het sponsduiken. Nu woont er nog maar een fractie van de oorspronkelijke bevolking. In het begin van de 20-ste eeuw woonden hier 30.000 mensen, nu nog maar 2.500. Maar zo te zien nemen de toeristen het langzaam over, want er zijn veel mooi gerestaureerde huizen waarvan de luiken potdicht zijn. Het stadje is een doolhof van straatjes en trappetjes, winkeltjes en terrassen, waar we van hebben genoten. Op de terugweg hebben we onze speciaal daarvoor meegenomen rugzakken volgestouwd met wijn en ouzo. Vooral de wijn is belangrijk, die is in Turkije niet te best.

 

Marmaris  - Yalikavak

 Omdat tijdens onze zeiltocht was gebleken dat er nog een paar verbeteringen aan het schip moesten worden aangebracht, besloten we dat het beter was om terug te gaan naar Turkije, immers nog vlakbij, want op de Griekse eilanden kun je niets verwachten. We zijn eerst naar een klein Turks  haventje gegaan, Bozburun, verscholen achterin in een schitterende baai. Daar hebben we beraadslaagd wat te doen: nieuwe Turkse havens opzoeken, om zo het gevoel te houden dat we verder trokken, of terug naar Marmaris, waar alle winkels en voorzieningen waren. We besloten voor het laatste. En zo kwamen we zaterdag 14 mei weer aan in onze eigen marina en werden vol vreugde verwelkomd door de achterblijvers.

 Woensdags werd de een nieuwe ankerbeugel met aangepaste rollen gemonteerd, terwijl wij al alle lieren uit elkaar gehaald en schoongemaakt, een nieuw “oneindig” touw om het grootzeil in de mast te draaien geïnstalleerd en een lekke doucheslang vervangen hadden. Dat laatste heeft ons vijf tochtjes naar Marmaris en heel veel tijd gekost! Het is moeilijk om hier bij elkaar passende materialen te krijgen.

 En ja, toen werd er storm voorspeld en konden we niet uitvaren. Wachten geblazen, en geen storm te ontdekken. Zo hadden we mooi tijd om onze verdere route te bepalen en na veel gesprekken met ervaren zeilers in dit gebied hebben we besloten ons aan de algemene regel te houden: vaar in het voorjaar zo ver mogelijk naar het noorden, dan is de noordenwind nog niet te hard, zodat je in de zomer van de betrekkelijke rust van de noordelijke Egeïche zee kunt genieten, en zak dan met de wind mee weer af, waarbij je al zigzaggend de Griekse eilanden kunt bezoeken.

 Eindelijk, op zaterdagmiddag, kwam de storm en hij duurde maar een paar uur. We wilden niet meteen zondagmorgen vertrekken, omdat de zee na zo’n storm nog vaak woelig is, dus na veel beraadslaag en gepraat met “weermannen”, bezoek aan internetsites en gesteund door een oplopende barometer, hebben we besloten dat het verstandig was om zondagavond te vertrekken. De weersverwachting was perfect, overdag niet meer dan 4 Bft,
's nachts maar windkracht 2 - 3 . We konden dan profiteren van de bijna windstilte ‘s nachts, wat ons goed uit kwam, omdat we de wind tegen zouden hebben.

Dus, na nog heerlijk in het restaurant te hebben gegeten, vertrokken we ’s avond om acht uur, met een zon die achter de bergen verdween en een lucht die schitterend roze-lavendelkleurig werd, waartegen de bomen op de bergkam zwart gekarteld uitgesneden leken. Aan onze  andere zijde stond de volle maan al te pronken. De wind zakte af en we feliciteerden elkaar met onze goede beslissing.

 Om negen uur werd het donker en Gerhard ging zijn eerste slaapje halen. Ik kon hem nog net aankondigen dat ik de zeilen ging hijsen, want geheel tegen de verwachting in hadden we ruime wind! Het werken op de boot was heel gemakkelijk want de volle maan verlichtte alles perfect, de golven reflecteerden zelfs het maanlicht tegen het plafond van onze sprayhood, een prachtig gezicht! Terwijl ik alles klaar maakte viel de wind ineens helemaal weg, dus ik besloot dat hijsen niet meer loonde. Dat klopte, maar er stak iets achter. Als de wind in dit gebied plotseling wegvalt, komt hij daarna vaak plotseling en hard uit een andere hoek terug.

En ja, voor ik het wist zaten we midden in een storm tussen windkracht zes en zeven. De golven bouwden zich op en sloegen binnen de kortste tijd van voor tot achter over het schip. Alles wat buiten was, werd drijfnat. Het was niet gevaarlijk, maar wel bijzonder ongemakkelijk. Ik heb Bello maar binnengezet, hoewel hij dat vreselijk vind, op de bank naast Gerhard. Dat was een maatregel die we nog nooit eerder hadden hoeven nemen, maar elke keer als ik opstond, kroop hij snel op mijn plekje onder de sprayhood, om niet nat te worden, denk ik. Dat was me te lastig en gevaarlijk.

 Tegen een uur of twaalf moest ik even achter het stuurwiel zijn om de instrumenten te controleren en toen slipte ik op het natte dek. Bij het uitvaren had ik schoenen aangedaan die geen speciale antislip hebben als de boot nat is, maar door het mooie weer had ik er niet bij stil gestaan. Dom, dom, dom, dom!!!  Nu sloeg mijn enkel dubbel . Heel pijnlijk en lastig, want ik kon er niet meer op staan. Maar er was geen gelegenheid om er verder iets mee te doen, dus doorgaan. Toen Gerhard een uurtje later wakker werd hebben we samen buiten gezeten. Tegen een uur of vier verbeterde het weer en ben ik gaan slapen en om acht uur ‘s morgens ging de wind liggen.

Toen we later de pilot er nog eens op nasloegen bleek dat juist het eerste stuk berucht was om zijn versterkte winden ("extremely violent gusts"), die bij harde noordenwind als valwinden van de hoge bergen af komen.

 Voor het eiland Kos hebben we overlegd wat te doen. We besloten een haven te zoeken met een eerste hulppost, omdat ik graag krukken wilde hebben. Ik heb daar ervaring mee en vind mezelf een "crack op krukken"!
We vonden zo’n haven in het Turkse Yalikavak, een stukje boven Bodrum. Daar voeren we maandagmiddag tegen twaalf uur binnen en hadden een mooi stuk afgelegd: 85 zeemijl, 153 km!!

 In de haven kwam er al snel een arts aan boord met een mooie assistente, die zijn dokterstas droeg. Hij heeft de zaak bekeken en Gerhard moest met hem meelopen om de spullen te halen. Tot mijn afgrijzen kwam hij terug met een rolstoel!!

                                                                             

Volgens de arts is dat de eerste dagen beter dan krukken. En ik moest zeggen: het heeft wel wat. Je kunt er heel flexibel mee omgaan en draaien, maar zoals gebruikelijk is niets berekend op rolstoelen, dus ik kwam niet ver. De volgende dag zijn we uitgebreid naar een Turks bad gegaan, met alles erop en eraan: scrubben, complete massage, olie behandeling, etc. Ik vond het heerlijk, Gerhard was er niet van gecharmeerd.
 

Sporaden

 Leros - Patmos 

Woensdag 25 mei wilden we wel weer weg en de medische post wilde ons zijn krukken wel verkopen. Dus heerlijk afgevaren naar het Griekse eiland Leros, waar we met een Brits zeiljacht in de baai voor de kade van het dorpje Lakki kwamen te liggen. De baai is één van de meest veilige van dit gebied, er is dan ook een marinebasis gevestigd. Een twijfelachtige eer, want daardoor heeft er hier in de tweede wereldoorlog een grote veldslag plaatsgevonden, waarbij het dorp zwaar is gebombardeerd.

 Het ziet er vervallen en verwaarloosd uit, heel anders dan we van een Grieks stadje hadden verwacht. De stad heeft meer weg van een in onbruik geraakte filmset. Het blijkt dat er hier een heel speciaal project heeft plaatsgevonden. Toen dit eiland in het begin van de vorige eeuw in Italiaanse handen viel, heeft Mussolini hier een droomstad willen maken en heeft  beroemde architecten hiertoe opdracht gegeven. Het geheel is art-deco achtig, met veel gebogen vormen.  De bevolking zag het project niet zitten en trok weg, stichtte ergens anders een nieuwe hoofdstad. De oorspronkelijke foto’s van de gebouwen zijn erg mooi, met prachtige kleuren, maar het kost tijd om ze te herkennen in de huidige bouwvallen. Ik zag de afbeelding van het ronde gebouw van de bioscoop en wilde er graag heen, tot bleek dat we er recht voor geankerd lagen! Het was zo verwaarloosd dat we het niet konden herkennen!

                                                                                                 

Omdat niet helemaal duidelijk was of we hier hadden mogen ankeren, schrokken we ons tegen negen uur ‘s avonds rot toen er een geweldig zware toeter vlak bij onze boot afging en daarna klonken er een aantal harde knallen. Wij renden als een haas het dek op, waren bang dat we in de baan van een ferry zouden liggen. Het bleek de toeter van een tachtig meter lang vrachtschip te zijn, dat langs een kade afgemeerd lag, en hij werd binnen de kortste keren begeleid door allerlei ander lawaai. De lege kades stroomden vol met auto’s die van stoffige parkeerplaatsen waren gehaald, van bouwterreinen en wegwerkzaamheden. Alles wat maar geluid en licht gaf kwam te voorschijn met zwaai- en knipperlichten, alarminstallaties, claxons en sirenes. Er werd vuur- en knalwerk afgestoken, de carbidbussen in Tinallinge vielen erbij in het niet! Een visser, die ererondjes door de havenkom draaide, riep ons de naam toe van iets dat op een Griekse voetbalclub leek. Blijkbaar had die gewonnen en wij lagen eerste rang om van dit gekkenhuis te genieten! We hebben er een ouzo bij genomen, en later weer genoten van de stilte en de volle maan.

 Van het eiland van de “gekken” ( op Leros staan veel psychiatrische inrichtingen en tijdens het kolonelsregime werden hier de dissidenten opgesloten) zijn we vrijdags naar het eiland van de geestelijken gevaren: Patmos. Patmos is het eiland van het indrukwekkende grijze klooster van de Heilige Johannes, dat hoog op een heuvel, omringd door de hagelwitte huisjes van Chora, boven de haven uitsteekt. Op dit eiland heeft destijds de evangelist Johannes zijn boek der Openbaringen geschreven en het is sindsdien een bedevaartsoord en religieus eiland geworden.

 We varen er in de loop van de middag binnen, konden aanleggen aan de kade waar maar drie andere zeilboten lagen en ’s avonds zette ik mijn eerste krukkige stapjes. Ik bleek een kruk op krukken te zijn! Dus het eerste het beste restaurant ingedoken en de plannen voor de dag erna aangepast: we namen een taxi naar het klooster.

                                   
                               

We waren er de volgende dag al lekker vroeg . Zonder andere toeristen is de sfeer altijd veel intenser. Er wandelden veel monniken rond, waaronder ook verbazend veel jonge mannen, compleet met paardestaart en rugzakje. Heel verfrissend. De Panagia kapel, die we mochten bezoeken, was indrukwekkend. Al het versiersel en beeldhouwwerk was met bladgoud belegd, elk resterend deel van muren en plafonds beschilderd in prachtige rode, blauwe en gouden kleuren. De hangende wierookvaten en kandelaren waren van gedreven zilver. Een feest voor het oog. Helaas mochten we er geen fotos nemen.

 Het dorpje Chora is schitterend met zijn nauwe, vaak overkoepelde steegjes en in het midden een schilderachtig pleintje. Helaas was er tijdens ons bezoek aan het klooster een stortbui gevallen, zodat alle rieten stoeltjes drijfnat waren en we er niet konden blijven.

Dus zijn we met een klaarstaande bus weer teruggegaan naar de haven en hebben daar op het pleintje nog lekker een pilsje gedronken. Hoewel we nog graag meer van dit prachtige eiland hadden willen zien (alleen in Chora staan al 40 kloosters, de rest van het eiland herbergt er nog talloze) was dit voor mij al vermoeiend genoeg geweest .

 

Samos

De volgende morgen bood een heerlijke zondagsrust, er was eindelijk geen wind. We vonden het geen probleem, want we hadden anders tegenwind gehad en gingen nu lekker op de motor naar Samos.

Samos is een prachtig ruig en groen eiland. Het maakt deel uit van de Oostelijke Sporaden en ligt vlakbij de Turkse kust, op minder dan een mijl afstand.  Het is ook, en dit is voor Gerhard veel belangrijker, het eiland waar Pythagoras, de beroemde filosoof en wiskundige, geboren is en geleefd heeft. Het eiland moet een vrijdenkende sfeer hebben gehad, want hier zijn veel geleerden en kunstenaars vandaan gekomen.

We komen aan in Pythagorio en leggen aan bij de prachtige kade vol terrassen. Er liggen hier veel zeilboten, het blijkt een geliefd haventje te zijn. En het voelt hier ook als vakantie met alle voor onze loopplank langs flanerende badgasten.

                                                                              

We hebben hier een dag een auto gehuurd om het eiland te bekijken en komen langs schitterende stranden met turkooize water, prachtige bossen, hoge bergdorpen en stille stadjes.

                                                                                

 In Marathokambos, in het binnenland, staat bij de taverne tegenover de kerk een bordje: “Traditional Greek Food”. Dus dat gaan we proberen. De waardin moet als ze onze bestelling binnen heeft, wel als een haas een diepvriesverpakking uit de kleine supermarkt ertegenover halen, dus zo traditioneel is het nu ook weer niet, maar de slaperige sfeer en de triktrakkende mannen op het terras maken alles goed.

 

Cesme

 Woensdag 1 juni zijn we 's ochtends heel vroeg vertrokken uit het prachtige haventje van Pythagorio op Patmos, een plekje om naar terug te komen. We voeren door de Straat van Samos, vlak onder de Turkse kust. Hier kunnen sterke stromingen staan, maar omdat we zo vroeg waren en er nog geen wind stond, ging alles heel gemakkelijk. We wilden richting Cesme, een Turkse haven op een schiereilandje vlakbij het Griekse eiland Chios.

Met het heen en weer varen tussen Turkije en Griekenland, twee landen die nogal vijandig tegenover elkaar staan, moet je wat creatief omgaan. Om niet elke keer de moeilijke en dure fases van uit- en inklaren door te maken, hebben we ons bij beide landen ingeklaard en hebben twee gescheiden sets papieren. In Turkije laten we de Turkse papieren met ons paspoort met Turks visumstempel zien, in Griekenland de Griekse en onze identiteitskaart, speciaal hiervoor aangeschaft en waarop niet te zien is dat we in Turkije zijn geweest. We hebben heir nooit problemen mee gehad.

Aan het eind van de middag zagen we de landpunt al voor ons. Toen we in de haven de veerponten zagen liggen - er zijn ferry verbindingen naar zowel de Griekse eilanden als naar Italië - besloten we dat we daar geen zin in hadden. We liepen lekker door het water en vonden dat er nog wel een uurtje bij kon. Net om de kop van het schiereiland (het heeft een beetje de vorm van Jutland) vonden we een inham met restaurantjes langs de kade.
Dus daar het anker uitgegooid en het schip met de achterkant naar de wal gestuurd. Helaas, drie meter voor de wal konden we niet verder, het roer liep vast op de grond. We hebben het nogmaals geprobeerd op een andere plaats, maar met hetzelfde resultaat. Gelukkig wist de eigenaar van het restaurant raad: hij stuurde een aantal van zijn mooi in het wart/wit geklede kelners er op uit en die kwamen terug met een enorme plank van een bouwsteiger. Die werd gebruikt als loopplank en zo konden we die avond heerlijk in zijn restaurant eten.

Donderdagmorgen werden we om zes uur wakker door een hevig gebonk. Er bleek een flinke wind opgekomen te zijn en een naast ons liggend motorbootje sloeg telkens  tegen ons schip aan. Omdat we toch al niet veilig lagen besloten we de touwen meteen maar los te gooien en naar een iets verder gelegen haven te gaan. Dat bleek een heel chique gebeuren te zijn, er lagen allemaal motorjachten van miljonairs uit Istanbul te wachten tot hun eigenaars tijd zouden hebben. Er was niemand en de medewerkers van de haven waren totaal niet voorbereid op gasten. Na veel problemen - de eerste plaats waar we aanlegden had geen mooringlijnen, de tweede was te ondiep-  lagen we uiteindelijk toch op een prachtig plekje, langszij een steiger. Gerhard had een man voor de motor nodig, om een onderdeel te vervangen en die bleek daar aanwezig. Verder kon je er schitterend wandelen en zwemmen, dus alles was perfect en de storm kon komen.

 Helaas kregen we zaterdagmorgen een heel droevig telefoontje. Gerhards zoon Jeroen vertelde ons dat zijn eerste kindje na 32 weken zwangerschap overleden bleek te zijn. We besloten meteen naar huis te gaan en zondagmorgen waren we al op Schiphol. We zijn tien dagen in Nederland gebleven. Het was een droevige, maar ook heel intense tijd met Jeroen en Hilda. Het was heerlijk om even in de lente in ons eigen huis te zijn en we hebben nog een aantal familieleden en vrienden kunnen bezoeken.

 Het was een hele overgang om daarna, op 15 juni,  weer in Turkije aan te komen. Het kostte tijd om weer in vakantie stemming te komen.  We hebben de donderdag gebruikt om inkopen te doen in Cesme, een prachtig stadje met kronkelige straatjes en huisjes met houten erkertjes en hebben daar ook ons schip laten uitklaren uit Turkije.  Bij dat laatste kwamen mijn krukken goed te pas: we hadden ons met een taxi naar het douanekantoor laten brengen, maar daar bleek dat we eerst naar de havenmeester hadden gemoeten, wat een kwartier lopen was. Toen ze merkten dat dit een probleem was omdat het al laat was en ik niet zo snel kon lopen, werden we er door één van de medewerkers met zijn eigen auto heengereden!  Een afscheid, passend bij Turkije. 

 

Lesbos 

 Op 17 juni  zijn we overgestoken naar Lesbos en daar stonden Mary en Martin van "de Vlieter"  al bij de douane in Mytilini om de touwen aan te pakken. We kenden ze van de EMYR en de haven in Marmaris en ze hadden beloofd op Lesbos op ons te wachten. Het was een fijn weerzien!

We hadden nog twee dagen om de boot op te ruimen, schoon te maken en de was te doen, voor op maandag mijn zus Gertien en zwager Jaap aan boord kwamen. Dit bezoek was al lang te voren gepland en het was eigenlijk verbazend dat we ondanks het plotselinge bezoek aan Nederland nog op tijd in Lesbos waren aangekomen. We zijn dinsdags met hen vertrokken naar de zuidkant van het eiland.

                            
                                     

Het eerste deel was te bezeilen, maar bij het uitdraaien van het grootzeil bleek dit ergens vast te lopen: er was een touwtje mee naar binnen gedraaid dat de boel vastzette. Dus alleen de fok gebruikt. We hebben geankerd in de oostelijke van de twee grote baaien van dit eiland bij Skala  Loutra waar we heerlijk hebben gezwommen en genoten van de volle maan. 

De volgende dag stond er een stevige wind en we moesten de fok zelfs reven, terwijl we nog 7 knopen haalden! Die nacht hebben we geankerd in de westelijke baai, bij Apothika. een klein slaperig gehucht met een heerlijk restaurantje waarvan de stoelen op het strand stonden.  's Middags had de buitenboordmotor de geest gegeven, naar later bleek een vuiltje in de carburateur, dus Jaap heeft ons erheen geroeid. Tijdens de maaltijd kwam de maan enorm groot en prachtig goudgeel op boven de bergen aan de overzijde van de baai. Na afloop kregen we een lift van een visser die met zijn familie hier was komen eten. Wij zittend op alle visnetten en ons bijbootje achter de schuit gebonden. Een belevenis op zich! Na nog een heerlijk glaasje Ouzo vonden we het een fantastische dag.

De weersverwachting gaf donderdag een stormwaarschuwing en we besloten naar de haven van Plomari op de zuidkust van Lesbos te varen. Een prachtig stadje, met een pleintje onder een enorme plataan. De haven lag goed uit de wind, het enige vervelende was de deining. We hebben vrijdagochtend de boot dan ook zo ver mogelijk naar het veiligste hoekje verplaatst. Dat hielp een beetje. Hier hadden we tijd om naar het grootzeil te kijken en nadat we zelf het touwtje verwijderd hadden, klom onze buurman Espen, een echte Deense Viking, de mast in en trok het zeil er weer uit. De rest van de dag was voor het strand en om een auto te huren voor de volgende dagen.

 We  hebben een tocht gemaakt over ongeplaveide weggetjes via de Olympus (zijn naam waardig door de majesteitelijke kale top die je al van ver kan zien) en koffie gedronken voor een café in Agiassos, dat op de flank van de berg ligt. Toen verder getrokken via het centraal op het eiland gelegen klooster Limonos, dat tijdens de Turkse overheersing dienst deed als geheime school, waar ondanks het verbod Grieks werd onderwezen.

                                                          
We kwamen er tegelijk aan met een aantal legertrucks, waaruit een compleet bataljon jonge soldaten kwam rollen. Het leren kennen van hun eigen cultuur is blijkbaar een onderdeel van hun training. 

Daarna bezochten we vlakbij de westkust het klooster Ypsilos dat op de top van een uitgedoofde vulkaan is gebouwd. De storm bulderde eromheen, wat prachtig klonk als je in de kerk zat, maar zodra je buiten de poort kwam moest je letterlijk stevig in je schoenen staan. Na een stop in Sigri, een uitgestorven toeristenplaatsje, waar het bij goed weer mooi ankeren is, zijn we via kiezelpaden terug naar het oosten gereden. Het landschap was groots, heel kaal, indrukwekkend. De enige levende wezens die we zagen waren vastgebonden honden, met soms als enige beschutting tegen de brandende zon een op z'n kant liggende ijzeren ton. Ze waren erg agressief, geen wonder. We hebben Bello, die achterin lag te stuiteren, er even fijntjes op gewezen wat een luxe leventje hij had.

De tweede autodag hebben we koffie gedronken in Skala Sykaminias, geluncht in Molyvos en toen nog snel Petra, met een enorme rots in het centrum, bekeken. Al deze plaatsjes liggen schilderachtig op de noordkust van Lesbos. Terug wilden we weer via ongeplaveide weggetjes, maar dat lukte niet. Het pad werd telkens slechter en steniger, met enorme gaten en hobbels, tot we niet verder konden. Na uitgestapt te zijn lukte het om de auto, vele kilo's lichter, weer achteruit te rijden en te keren. Het biertje om alle tegenslag weer te vergeten en de daaropvolgende maaltijd voor het café tussen alle oude mannen in Agio Pereskevi maakte alles weer meer dan goed. De echte klapper kwam 's avonds in Plomario toen we vonden dat we nog een ijsje verdiend hadden en op het terras onder de plataan terechtkwamen. Een tweetal mannen, later aangevuld tot vier, zat aan het tafeltje naast ons te zingen en te musiceren Schitterende Griekse muziek, we konden er geen afscheid van nemen.

                                                                         

Maandag hebben we Gertien en Jaap met de auto naar het vliegveld gebracht. We hebben een perfecte tijd samen gehad. De dag daarna hebben we de boot schoon en  zeilklaar gemaakt, water getankt  (360 liter al sjouwend met jerrycans), de was gedaan en bij Espen een afscheidsborrel gedronken.

 We besloten om in kleine stukjes naar het noorden van het eiland te varen om, zodra de storm over was, de stevige oversteek naar het Griekse vasteland te kunnen maken. En zo vertrokken we woensdag 29 juni uit Plomari. Er bleek nog een windkracht zeven op kop te staan, dus we zijn na zo'n vijf uur varen bij Mytilini naar binnen gegaan. Daar lagen de " Gandalf " en de " La Gabriella", oude bekenden, al een paar dagen en we hebben 's avonds met zijn zessen een gezellige avond gehad. De volgende dag zijn we tegelijk uitgevaren, maar onze wegen scheiden zich hier. Zij gingen via Ayvalik met schitterende baaien aan de Turkse kust, wij besloten  direct naar Molyvos te varen. We kwamen er tegen vijf uur 's middags aan en hadden er een prachtige windstille avond met een mooi uitzicht op het stadje met het kasteel erboven.

                             

 

 We lagen langszij een Franse boot, die evenals wij de volgende ochtend om vijf uur weg wilde om met Limnos als tussenstop naar het vasteland te varen. Hij kende het gebied en toen hij hoorde dat de Griekse schiereilanden van Halkidiki ons doel waren, raadde ons aan om in plaats van Limnos het kleine eilandje Agio Efstratios aan te gaan, de meest directe verbinding tussen Lesbos en Halkidiki. 

 

Agios Efstratios

 En zo vertrokken we vrijdagmorgen 1 juli nog voor zonsopgang uit het minuscule haventje van Molyvos. Het was de eerste uren opletten geblazen omdat we het verkeer van en naar de Dardanellen kruisten. Die grote schepen gaan enorm snel en het leek alsof ze van alle kanten kwamen. Later werd de zee leeg, er was uren niets te zien en na  60 zeemijl in ons kielzog kwamen we aan op het eenzame eilandje Agios Efstratios, midden in de Egeïsche Zee. Het is een wonder dat men hier vroeger heen kon varen, zonder de moderne navigatiemiddelen. Het schijnt dat het ontdekt werd door schipbreukelingen die daar aangespoeld en gebleven zijn. Er wonen nog maar weinig mensen, 296 personen, sinds het in 1968 door een zware aardbeving verwoest werd.

`                                                                         

Nu staan er voornamelijk nieuwe bungalows die samen met de resten van de verwoeste huizen  halve maanvormig tegen de berg opgebouwd zijn. Bovenop de top ligt de begraafplaats, met een vorstelijk uitzicht over akkertjes, ezels en de eindeloze zee.

                                                                     

We waren de enige toeristen, afgezien van een journaliste die samen met een vertegenwoordigster van een reisorganisatie op bezoek was om de mogelijkheden van dit eiland voor het toerisme te exploreren. Wat mij betreft laten ze het nog even zo.

 

Haldikiki

Sithonia

 Omdat er voor zaterdag prima zeilweer voorspeld was, na een nacht met harde wind waarbij we op lagerwal tegen de steiger aangedrukt lagen, zijn we meteen doorgegaan naar Sithonia, de middelste van de drie vingers van Halkidiki, iets meer dan 60 zeemijl varen. Op de meest oostelijke vinger ligt de berg Athos, waar vrouwen niet mogen komen omdat het een monniken republiek is. We zagen de berg al uit de verte opdoemen, gehuld in wolken. We waren hier aangekomen op 2 juli en voeren de prachtige baai van Porto Koufo binnen door een smalle ingang verscholen tussen hoge, ongenaakbare, rode kliffen. De baai opent zich dan voor je, omzoomd door zandstranden en bomen. Hij werd in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers gebruikt voor hun onderzeeërs en er gaan wilde verhalen over rond.  Aan het einde ligt een hoge betonnen pier, waar de grote vissersschuiten hun verse vis lossen. Volgens ons sardines, we kregen ze cadeau van een vriendelijke bemanning. Hier liggen ook een aantal plezierjachten, waarbij het in- en uitstappen door de hoge kade bijzonder beenwerk vereist. Het was voor ons een veilige haven en een goede uitvalsbasis om het schiereiland beter te verkennen.

Op 2 juli varen de prachtige baai van Porto Koufo binnen door een smalle ingang verscholen tussen hoge, ongenaakbare, rode kliffen. De baai opent zich dan voor je, omzoomd door zandstranden en bomen.

                                                                          

Hij werd in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers gebruikt voor hun onderzeeërs en er gaan wilde verhalen over rond. De sterkste werd verteld door mijn neef Jens, die vermelde dat er onder de rotsen geheime uitgangen naar zee waren. Aan het einde ligt een hoge betonnen pier, waar de grote visserschuiten hun verse vis lossen.Volgens ons sardines, we kregen ze cadeau van een vriendelijke bemanning. Hier liggen ook een aantal plezierjachten, waarbij het in- en uitstappen door de hoge kade bijzonder beenwerk vereist. Het is voor ons een veilige haven en een goede uitvalsbasis om het schiereiland beter te verkennen. Het schiereiland ziet er schitterend uit, groen en bloeiend, maar er zijn ook toeristen en wolken. Wel weer even wennen na de enorme rust en hitte van de oostelijke Egeïsche Zee.

We waren hier aangekomen op 2 juli en voeren de prachtige baai van Porto Koufo binnen door een smalle ingang verscholen tussen hoge, ongenaakbare, rode kliffen. De baai opent zich dan voor je, omzoomd door zandstranden en bomen. Hij werd in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers gebruikt voor hun onderzeeërs en er gaan wilde verhalen over rond. De sterkste werd verteld door mijn neef Jens, die vermelde dat er onder de rotsen geheime uitgangen naar zee waren. Aan het einde ligt een hoge betonnen pier, waar de grote vissersschuiten hun verse vis lossen.Volgens ons sardines, we kregen ze cadeau van een vriendelijke bemanning. Hier liggen ook een aantal plezierjachten, waarbij het in- en uitstappen door de hoge kade bijzonder beenwerk vereist. Het was voor ons een veilige haven en een goede uitvalsbasis om het schiereiland beter te verkennen.  

Toen op en bepaald moment, na een stevige tippel naar het nabij gelegen badplaatsje Toroni ,

  
                                              

bleek dat Gerhard zich veel beter voelde (hij had een aardige terugval gehad na ons plotselinge bezoek aan Nederland)  hebben we een boekje met wandelroutes gekocht. We vertrokken per bus naar het startpunt in Sikia, een prachtig oud bergdorpje. Van daar voerde de route omhoog, richting een hoge rotswand. Terwijl wij nog verwachten dat we er omheen zouden worden geleid, bleek dat de route recht naar boven voerde en we telkens meer van steen tot steen moesten klimmen. Op een bepaald moment vonden we het te gek worden: we moesten uitstekende punten opzoeken voor handen en voeten en hadden daarvoor niet de goede schoenen aan, maar gewoon onze gympjes. Het bleek helaas dat het nog veel gevaarlijker was om weer naar beneden te gaan, omdat het zo steil was dat je niet kon zien waar je je voeten neer moest zetten Dus we zijn maar door gegaan. We voelden ons bijzonder stoer toen we boven waren en hebben er de nodige foto’s van gemaakt!

 

Daar bleek tot onze teleurstelling, dat je er vanaf de achterkant ook via een echt zandpad kon komen. Bovendien bleek de lucht snel donker te worden door een naderend onweer, dus de afdaling door stekelstruiken aan de andere kant ging heel snel. We zagen geitenstallen en besloten in geval van nood daarin te gaan zitten, maar het onweer bleef uit en het was niet nodig. Maar goed ook, want toen we later met een auto bij dit soort stallen in de buurt kwamen bleek dat ze bewaakt werden door vreselijk agressieve honden. Voor de rest van de wandeling hebben we zandpaden gekozen, die beter pasten bij onze staat van onderhoud. En de strategie heeft gewerkt: aan het einde liep Gerhard meters voor me uit!

De bus bleek ook een prima optie om alvast te kijken naar mogelijke havens en middelen van vervoer om onze vrienden van het vliegveld te halen. We kwamen terug met een handvol telefoonnummers van autoverhuurders en de overtuiging dat onze eigen haven de beste was, mede omdat het een prima vertrekpunt zou zijn voor de route die we met hen wilden afleggen naar de Sporaden.

 Nu de boot schoon was en wij zelf weer uitgerust, was het tijd om al varend de oostkant van het schiereiland te verkennen. Het bleek boven verwachting mooi te zijn met kleine eilandjes en prachtige, door bomen omzoomde ankerbaaitjes met witte strandjes. Op elk mooi plekje stond onder een boom een verlaten tentje, waarschijnlijk al in april neergezet om zo’n strandje “privé” te verklaren. Het is een ondiep gebied, vaak zie je tussen de eilandjes door de zee, maar je kunt er niet door varen. Dit gebied is dan ook lang gebruikt door zeerovers, die hun belagers op deze manier in de val lokten, en zelf wisten te ontkomen. We hebben er een paar heerlijke nachten bij volle maan in verlaten baaitjes gelegen en genoten.

                                                             

We begonnen intussen Sithonia te waarderen. Vonden we het eerst te Europees, te onstabiel wat het weer betreft, later waardeerden we juist de groene kusten, de koele nachten en de prachtige baaitjes. Bovendien komen we hier nog een aantal oude bekenden tegen, zoals de bemanning van ‘de Vlieter’ en de ’Samarinda II’.


Athos

Nadat we nog een aantal dagen met een huurauto de mooiste kleine weggetjes en dorpjes hadden verkend hebben we Simon en Margreet zondag 25 juli van Thessaloniki gehaald. Het was heerlijk om ze te zien, maar sneu om te moeten ervaren dat hun bagage niet aankwam. En een echt adres voor het nasturen ervan was onze steiger ook niet. Dus hebben we het adres gegeven van onze supermarkt in Porto Koufo. Het bleek een goede zet, want de zoon, Socrates, sprak Engels en dat hadden we nodig toen er die avond geen bagage bezorgd werd. En ook de volgende avond, na een dag zeilen met hoge golven en harde wind, niet. We hebben de knoop doorgehakt en besloten toch voor meerdere dagen uit te varen. Niet de route die we hadden uitgestippeld en die via de Sporaden naar Volos voerde, maar één die om het schiereiland heen voerde en waarbij we na een week weer op onze stek zouden zijn .

We gingen langs de oostkant van Sithonia en hebben overdag lekker gezeild en ’s nachts in schitterende baaitjes gelegen bij het eiland Dhiasporos. Vervolgens maakten we plannen om naar Athos te zeilen, de meest oostelijke landtong van de drie uitlopers van het schiereiland Halkidiki en tevens de naam van de berg die aan het einde ervan hoog oprijst boven de woelige Egeïsche zee. Het schiereiland is ongeveer 45 km. lang en puur natuur.
Athos is het domein van kloosterlingen en kluizenaars die in hun “Tuin van de Moeder Gods”maar één vrouw toelaten: de heilige maagd Maria. Zelfs vrouwelijke dieren, zoals kippen en geiten, worden er sinds de elfde eeuw niet geduld. Mannelijke bezoekers worden maar mondjesmaat toegelaten. Het is een religieuze staat, te vergelijken met het Vaticaan, dat op basis van grote autonomie deel uitmaakt van de staat Griekenland. Voor ons was er dan ook maar één mogelijkheid om toch een glimp van deze republiek op te vangen: er langs te varen!

We gebruikten het eiland Ammouliani als springplank voor deze tocht en ankerden daar in een zuidelijke baai. Maar Athos liet zijn ongenoegen over onze plannen al merken en bezorgde ons een knap onrustige nacht door een opstekende wind. De volgende dag voeren we al vroeg naar het zuidoosten en zagen tegen een uur of elf het eerste teken van bewoning: een magazijn bij een aanlegplaats, versterkt met torens en omringd door in onbruik geraakte loodsen. Daarna zagen we het eerste klooster: Dohiariou, één van de mooiste kloosters van Athos, omgeven door pijnbomen. Aan zware witte muren met blinde bogen hangen uitstekende balkons. Het onderste deel van de muren dient als versterking; vroeger vielen deze kloosters, die vlak boven zee staan, vaak ten prooi aan zeerovers die het op de rijkdommen ervan voorzien hadden. Toen er telkens meer monniken kwamen, kwamen de uitbouwsels in de vorm van balkonnetjes erboven te hangen. In de laatste 60 jaar is het aantal monniken drastisch afgenomen, terwijl er in het afgelopen decennium weer een grote toename te zien valt. Ik heb zelfs gehoord dat er woningnood is ontstaan. Pas als we er helemaal aan voorbij gevaren zijn, zien we het klooster in volle luister met een hoofdingang voorzien van mooie mozaïeken. We mogen bij het varen niet te dichtbij komen en moeten minstens 500 meter afstand van de kust houden. De maat hiervoor meten we af aan de grote toeristenboten, die ons in sneltreinvaart passeren. Ook dat blijkt niet genoeg te zijn: op een bepaald moment komt een snel bootje uit de kust op ons afvaren, dat ons beveelt de afstand te vergroten tot één mijl, wat we dus maar doen.

En zo zien we een aantal prachtige kloosters, waarvan het Russische klooster Agios Pandeleimonis met zijn groen uitgeslagen koperen koepels, torenspitsen, campaniles en (maar liefst dertig!) kerken, kapellen en gouden kruisen één van de indrukwekkendste is. We zien monniken aan het werk op het land en ook aan de kloosters wordt gewerkt: bij een aantal staan enorme hijskranen en worden nieuwe delen bijgebouwd. Het verhaal over de woningnood is blijkbaar waar.

                                      

Hoe verder we naar het zuiden komen, des te kleiner de kloosters worden en des te harder de wind. De windstoten zijn soms enorm en de boot wordt zelfs zonder enig zeil volledig op één oor geblazen. De kegelvormige berg Athos, waar we nu vlakbij zijn, heeft beruchte valwinden en we bezwijken ervoor. We richten het roer naar het westen: terug naar Sithonia en de bagage die Socrates voor ons bewaart.
                                  

 

Sithonia revisited

Simon en Margreet hebben zich als helden dagenlang in onze zwemspullen en kleren vertoond. Een kunststukje, in aanmerking genomen dat Simon een fors aantal maten groter is dan Gerhard en Margreet kleiner is dan ik ben. Toch werd de bagage met gemengde gevoelens aanvaard, want nu kreeg Simon weer commentaar op zijn kledingkeuze.

De laatste nacht hebben we een plekje gevonden in het haventje van Nea Marmaris, een leuk badplaatsje. Het was het einde van een heerlijke, ontspannen week waarin we samen hebben genoten. Nadat we Gerhard en Simon bij het vliegveld afleverden, hebben Margreet en ik onze boot be”mand”. Ik had elk jaar een vrouwenboot samen met Amcke en haar vriendinnen gehad en wilde dat gebruik graag voortzetten. En het beviel prima! Margreet en ik hadden een heerlijke week, waarbij we de nodige uitdagingen te verwerken kregen. Het begon al meteen bij het afvaren uit Nea Marmaris. We maakten de boot los van de wal, voeren perfect richting de plaats waar het anker op de grond lag en dat was het…. Het anker bleek vast te zitten onder een zware ketting die dwars over de bodem van de haven lag. We konden de ketting niet zover omhoog halen dat we er een touw onder konden binden, waardoor we ons anker vrij konden maken, en het was te diep  -14 meter-  voor mij om te duiken. En onze vrouwelijke charmes waren ook al niet sterk genoeg, want de vissers zaten met genoegen op hun schip te kijken hoe we dit oplosten, maar voelden zich niet genoopt tot enige reddingspoging. Tot onze grote tevredenheid hebben we dit dus zelf, met veel geduld, gered!

Aan het eind van de week kregen we ’s avonds, net toen we stonden te koken, te maken met een plotseling opstekende storm. We lagen te dicht bij de rotsen om zo de nacht in te gaan, dus hebben we binnen recordtijd -10 minuten- alles stootvast gezet en het anker gelicht. Bij het verlaten van de baai was het al bijna donker en gelukkig was Margreet zo slim om op te merken dat we ’s middags gezien hadden dat er aan de steiger een plaatsje vrij gekomen was. We konden er, zuigend tussen andere schepen, aanleggen en luisterden in de luwte met veel genot naar de loeiende wind. Het was een week van genieten, praten, zeilen, een lange luie dag voor anker liggen, zwemmen en zonnebaden. Kortom, perfect!

Nadat Margreet en Gerhard, na elkaar nog even op de luchthaven te hebben gezien, op hun respectieve thuisbasis waren teruggekeerd, hebben we met veel genoegen broer Roel en zijn gezin, die in de buurt kampeerden, ontmoet. Heerlijk om weer even kontakt te hebben, bij te praten en vooral om te zien hoe groot hun kinderen alweer geworden waren! Toen was het tijd om toch eindelijk eens naar de Sporaden te gaan!

 

De Sporaden

Pelagonisi

We vertrokken woensdag 10 augustus naar de baai Limani Planitis in het noorden van het eiland Pelagonisi, een beschermd natuurreservaat. Een onbewoonde baai met alleen een geitenstal. De ingang is moeilijk te vinden en erg ondiep. Bij harde noordenwind kun je er niet meer in- of uitvaren doordat de zee hier erg onrustig wordt. Gelukkig hadden wij daar geen last van en de binnenzee lag spiegelend voor ons. Erg mooi.

Alonissos

Omdat we toch wel wat meer wilden zien van de Sporaden zijn we de volgende dag naar het eiland Alonissos gevaren en in de prachtige baai, die omsloten wordt door hoge wanden, aangelegd aan de boulevard van Patitiri. Schitterend om weer terrassen en flanerende mensen te zien!!!

De volgende dag zijn we naar de oude Chora geklommen. Dit stadje, Palaia Alonnisos, ligt, zoals de meeste oude stadjes op de Griekse eilanden, hoog op de berg met uitzicht over zee. Dit was vroeger nodig om beschermd te zijn tegen zeerovers. Pas toen het veiliger werd ontstonden de kustplaatsjes, die dus ook veel nieuwer zijn. Deze Chora is in 1965 zwaar beschadigd door een aardbeving, waardoor de bewoners wegtrokken. Gelukkig werden veel huizen door buitenlanders weer in oude staat gerestaureerd, waardoor het stadje zijn prachtige architectuur heeft bewaard. Het dorp heeft een naar alle kanten fantastisch uitzicht over zee en de andere eilanden, dus we waren genoodzaakt om ons op meerdere terrassen te laten verwennen.


 

 

Evvoia

Omdat het de komende dagen mooi zeilweer zou blijven, heel bijzonder voor augustus, wanneer het vaak stormt, besloten we er gebruik van te maken. Op 13 augustus voeren we langs de oostkust van Evvoia, het grote (schier)eiland ten oosten van Athene. Er stond een zuidenwind, ook heel bijzonder voor deze tijd en niet de bedoeling, want daardoor hadden we tegenwind, en werd het motoren. We legden vroeg in de middag aan in Kymi, een plaats met alleen Griekse toeristen, wat we erg leuk vonden. Dus ’s avonds heerlijk uit eten bij Griekse muziek.

 

De Cycladen

Andros

De volgende dag wachtte ons de oversteek naar Andros, het noordelijkste eiland van de Cycladen. Ook één van de groenste. Het was voor ons een hernieuwde kennismaking, want we waren hier ongeveer tien jaar geleden met de ferry aangekomen om met eigen auto het eiland te verkennen. En we vonden het weer even heerlijk! Want hoewel Gavrio, het havenstadje waar we lagen, op zich niets voorstelt heeft het toch al de sfeer van de Cycladen: huizen als witte blokkendoosjes, blauwe deuren en kozijnen en overal prachtige bloemen. En als kadootje een wassende maan boven de huizen in een fluweelblauwe lucht. Ik was er weer helemaal van onder de indruk en tegelijkertijd opgetogen dat we weer in de Cycladen waren en nu nog wel met onze eigen boot!

Serifos

Op 16 augustus zijn we naar Serifos gevaren, waarbij we Kea en Kythnos rechts van ons zagen en Tinos en Mykonos ter linker zijde lieten liggen. We hadden er best heen gewild, maar we vonden dat we keuzes moesten maken omdat er aan het einde van de week storm voorspeld was en we dan in een veilige haven moesten zijn.

Serifos is een kegelvormig eiland, kaal en onvruchtbaar, maar wij wilden er graag heen vanwege zijn hagelwitte Chora, hoog op de berg, bekroond door een oud Venetiaans kasteel. De aankomst in het haventje om twee uur ’s middags was verassend: het was vol! Al sinds onze tocht langs de Turkse kust en de oostelijke en noordelijke Griekse eilanden waren we tamelijk alleen geweest en verlangden naar “buitenlandse”, dat wil zeggen niet-Griekse zeilers, waarmee we weer konden communiceren. Hier werden we begroet door een menigte. Op de korte kade liepen er alleen al honderd Italianen van een flottielje rond, met bijbehorend lawaai. Het was moeilijk een plaatsje te vinden, we hadden geen vijf minuten later moeten zijn. Binnen de kortste keren lag ook de baai vol geankerde boten.

We besloten tegen de avond het steile ezelspad, dat vroeger de enige toegangsweg naar de Chora was, te beklimmen en kwamen aan in een prachtig stadje waarvan de meeste kubusvormige woningen weer in oude luister zijn hersteld door Griekse kunstenaars en architecten. Het uitzicht over zee en de andere eilanden bij een vallende avond was schitterend!

We hadden eigenlijk tot op het kasteel moeten klimmen om de zon in het westen te kunnen zien ondergaan, maar raakten verdwaald in de smalle steegjes en trappetjes en vonden dat we onze moed wel genoeg op de proef hadden gesteld. Dus snel een klein straatcafé opgezocht, waar we aan de pils raakten.

Folegandros

Omdat de wind nog altijd kalm was en we graag naar Folegandros wilden, zijn we de dag daarna naar dit eiland overgestoken. Friedy had ons al vaak verteld dat ze dit het mooiste eiland vond, en ze had helemaal gelijk! Het haventje van Karavostasis is erg klein, en we waren blij dat we nog een plekje vonden. Onze touwen werden aangepakt door de crew van de ‘Protea’, oude bekenden van de Emyr, die ons meteen vertelde dat dit geen goed plekje was omdat er ook vrachtboten moesten aanleggen. Omdat dit het laatste vrije plekje was hebben we het maar gegokt.

Dezelfde avond zijn we met de bus naar de Chora gegaan. Vonden we Serifos al kaal, dit eiland was nog veel kaler!  De naam is dan ook afgeleid van het Foenicische woord “rotsachtig”. De bustocht voert via een verlaten bergpas, alleen maar stenen, stenen en nog eens stenen, naar een stadje dat gebouwd is op de rand van een enorm steile helling, 300 meter recht boven zee. We hadden het van zee af al gezien en onze ogen niet geloofd. We vonden het prachtig en hebben het stadje met zijn pleinen en terrassen alle eer aangedaan.

                                                       

De volgende dag hebben we de Kastro bezocht. Dit is een in de 13de-eeuw gebouwde, tegen de piraten versterkte wijk, waar je door een lage zuilengang binnengaat. De gevels van de huizen kijken vaak uit op een binnenplaats of op kleine steegjes, waarvan er maar een klein aantal van buiten toegankelijk is. De achterkant van de huizen die op de rand van de afgrond staan vormen een soort vestingwal. Vanuit de straatjes zie je daardoor de zee niet, maar via de kleine ramen van de huizen heb je een kijkje in een onpeilbare diepte. Het kwam misschien door het vroege tijdstip, maar we zagen er verder geen toeristen en de sfeer was heel bijzonder. Daarna zijn we, na een uitgebreid terrasbezoek, via een prachtig wit gekalkt pad opgeklommen naar de kerk Koimisis tis Theotokou (Maria-Hemelvaart), waarvandaan we een schitterend uitzicht hadden op de oude stad. Het is overal even mooi, het hele eiland is één plaatjesfabriek.


De rest van de dag hebben we besteed aan zwemmen bij het leuke strandje met bomen van Karavostasis, plannen maken voor de door ons niet gewenste, maar vanwege de voorspelde storm wel verstandige vertrek en aan het ons ergeren aan een brutale buurman die zijn ankerketting dwars voor onze boot langs drapeerde en niet wilde zeggen wanneer hij weer vertrok. Dat bleek de volgende ochtend ook niet van belang, want er had zich die nacht een groot vrachtschip midden voor onze boot en over onze ketting geparkeerd. Dus in plaats van ons geplande vroege vertrek van zes uur in de morgen, voeren we pas om tien uur uit, richting Santorini.

Santorini

We hadden al van de ‘Protea’, die er een dag eerder heen gegaan was, gehoord dat de haven vol en onvriendelijk was en dat we er vroeg moesten aankomen. Zij waren er die ochtend alweer weggegaan. We waren op 19 augustus helaas laat uit Folegandros vertrokken, maar gelukkig hielp de wind ons (naast de motor) een handje mee: we maakten meer dan zeven knopen! Dus besloten we toch de koninklijke intocht in Santorini te maken door dwars door de krater onder de stadjes langs te varen.

Santorini heeft in 1425 v. C. een vulkaanuitbarsting meegemaakt waardoor het midden van het toen cirkelvormige eiland is weggeslagen. Overgebleven zijn het nu halvemaanvormige eiland dat samen met zijn kleine zusje Thirasia nog steeds een cirkel vormt. De krater zelf is vol water gelopen, met in het midden van het kraterwater twee nieuwe eilandjes die door latere uitbarstingen zijn ontstaan.. De driehonderd meter hoge, loodrechte wanden die rondom de krater hoog boven de zee uit torenen hebben verschillende kleuren: zwart, grijs, bruin en rood. En bovenop de rand liggen de stadjes. Als eerste zien we Ia. Prachtige pastelkleurige huisjes, Italiaans aandoend. Dan de hoofdplaats Fira, met witte huizen en kerken.

                                                    

Het is een vreemd, onwerkelijk landschap en je kunt je niet voorstellen dat er ooit iemand vrijwillig op het idee is gekomen om hier te gaan wonen. Folegandros vonden we kaal, maar het had in ieder geval nog verbrand gras en verdroogde struiken. Hier is, voor zover wij van beneden kunnen zien, alleen kale steen. De eilanden in het midden van de krater zijn pikzwart. We varen in het zuiden de krater weer uit, en zijn er stil van.

Dan moeten we de weg naar de haven vinden. Op zich al een avontuur, want de haven is nieuw er zijn nog niet veel beschrijvingen van. Op onze beide elektronische kaarten is ze nog niet aangegeven, dus we moeten het doen met de papieren beschrijving om tussen de klippen door te varen. Tegen vijf uur lopen we de haven binnen. Niet vroeg en er is dan ook geen plaats meer vrij. Net toen we na een paar omcirkelingen besloten hadden ons een beetje brutaal tussen twee schepen in te wringen, klonk er geroep: “El Capitana!” En ja, we mochten langszij een visserschip aanleggen. Een opluchting: als we hier niet hadden kunnen liggen, hadden we in één keer door moeten varen naar Kos, de volgende veilige haven, tachtig mijl of te wel 16 uur varen verder! Maar alleen het varen door de krater was al de moeite waard geweest!

We hebben de volgende dag nadat een aantal schepen vertrok een echte ligplaats kunnen vinden.
Het is best een gekke haven. Wel een beetje “unheimisch” met zijn steile, kale rotswanden en zwarte lavastof-wegen, letterlijk het einde voor je gympjes, maar ook wel prima uit de wind. Doordat de haven rond is, liggen alle ankerkettingen in het midden in een kluwen. Als er een boot uitvaart moet hij zich ontdoen van een heel aantal kettingen en ankers en is de kans groot dat er een anker los raakt. Dit gebeurde bij ons meteen  en het duurde meer dan een uur voor we weer goed op onze plaats lagen. Het is dan ook zaak om niet het eiland op te gaan voordat iedereen uitgevaren is. De elektriciteit- en watervoorziening, waarvoor je wel betaalt, werkt meestal niet, waardoor Gerhard dit al grommend tot “je reinste ontwikkelingsland” heeft verklaard. De stormvoorspelling is afgezwakt. Enerzijds een teleurstelling, dan hadden we misschien langer op Folegandros kunnen blijven, aan de andere kant een opluchting, want windkracht 8-9 met drie meter hoge golven, zoals voorspeld, is zelfs in een goede haven geen pretje.

We gaan in de loop van de ochtend met de bus naar de hoofdstad Fira. De tocht voert door een vlak landschap dat naar het oosten langzaam naar zee afdaalt, vol velden met druivenstruikjes die hun best doen boven het zwarte stof waarin hun ranken liggen, een beetje lucht te happen. De kleine witte druifjes worden net geoogst. Het landschap is rommelig en stoffig, de hotels slordig en lelijk. Het geheel doet denken aan de woestijnvlaktes van Amerika. Toen we op Santorini aankwamen en we hoog boven ons de stadjes op de rotswand zagen liggen leek ons dit een bijzonder kaal eiland, maar dat klopte niet. We hadden het kunnen weten, lava is bijzonder vruchtbaar!

 In Fira aangekomen beginnen we, na een blik op de plattegrond, snel aan de wandeling door het stadje. Op zoek naar de mooie plaatjes die alle kalenders sieren, want ik wil natuurlijk zelf de beroemde foto’s maken. Helaas, wel veel winkeltjes, veel toeristen, maar niet de beloofde fraaie uitzichten met blauwe koepeltjes. Uiteindelijk strijken we moe en hongerig neer in een restaurantje zonder harde discomuziek (wel even zoeken!). We hebben een prachtig uitzicht op de ferry’s die hun passagiers beneden aan de rotswand lossen en de ezeltjes die via een slingerend pad de mensen de steile helling opbrengen. Pas nadat we de maaltijd besteld hebben wil de ober ons vertellen waar de foto’s, die ook zijn menu sieren, gemaakt zijn. Het blijkt dat het vooral computer compilaties zijn! We kunnen, als we het echt willen, de blauwe kerkkoepeltjes ten noorden van het stadje vinden. En we hebben ze gevonden, helemaal dof van het stof. Je moet, na een goede regenbui, een ladder of helikopter hebben om ze mooi op de foto te krijgen! Op de terugweg zien we toch nog de mooie hoekjes waardoor het eiland zo beroemd is en maken we onze foto’s. Met elkaar valt het stadje ons erg tegen.  

 

Omdat we, toen we door de krater voeren, het stadje Ia vanaf beneden het mooiste vonden, willen we hier de volgende dag heen, samen met een bezoek aan de opgravingen van de stad Akrotiri, die bij de vulkaanuitbarsting onder een laag lava was verdwenen en nu ongeschonden mozaïeken en wandschilderingen oplevert. Er zijn nooit, zoals in Pompeï, resten van mensen of dieren aangetroffen: vermoedelijk zijn de bewoners door trillingen gewaarschuwd voor de ramp en zijn ze gevlucht. (Dit heeft ze hoogstwaarschijnlijk weinig geholpen omdat een groot deel van het eiland bij de plof de lucht inging.) We willen dit graag per auto doen en omdat de buurman, bezitter van een enorme motorboot, er één voor zijn loopplank heeft staan, vragen we hem waar de verhuurder te vinden is. Hij biedt ons zijn auto aan omdat hij de volgende morgen, eerder dan gepland, weg wil gaan. Hij regelt de overdracht, zodat de auto vroeg voor ons klaar staat. Dat lijkt ons prima.

De volgende ochtend is de auto weg, de motorboot ligt er nog, met alleen het personeel aan boord. Wel heerlijk rustig, want als de Griekse baas er is, is het geschreeuw niet van de lucht. De opdrachten aan het personeel worden in het Engels gebruld zodat we de verbijsterende inhoud , zoals: -Say: “Yes Captain”- ; -Say : “I’m here Captain”- kunnen volgen. Meestal is dat zo vernederend dat we liever naar binnen gaan om het niet te hoeven horen.

Maar nu is het wachten en doen we wat klusjes aan boord. Toch worden we langzamerhand chagrijnig en wanneer de auto pas na twaalven terugkomt en hij met zwier aan ons over wordt gedragen, zeggen we kort dat het nu niet meer hoeft.

  

Astypalea en Nisyros

 De volgende dag, 23 augustus, vertrekken we vroeg richting Turkije. Het eiland Astypalea gebruiken we als springplank, zo’n 50 zeemijl verder, dus een lange dag varen. We komen er tegen zes uur ‘savonds aan en ontdekken dat, hoewel er weinig schepen zijn, ze langszij de wal liggen waardoor er geen aanlegplaats meer vrij is. Na een aantal rondjes varen en het aanroepen van een mooi Belgisch jacht met de vraag of we bij hem langszij mogen, kunnen we eindelijk aanmeren. We zijn moe en Gerhard gaat alleen van boord om Bello uit te laten. Bij het krieken van de dag varen we, na de gebruikelijke tocht met Bello waarbij hij voorzichtig over het dek van de buurman gedragen moet worden, naar het eiland Nisyros.

 We komen er om vier uur ’s middags aan, de haven is nog leeg op één andere zeilboot na, waar we naast gaan liggen. Ze zijn blij met onze komst, omdat ze nu de wacht aan ons overdragen en het stadje kunnen gaan bekijken. Onze verantwoordelijkheid houdt in dat we beide boten moeten vrijwaren van aanvaringen door nieuwe binnenkomers, een niet onaanzienlijke taak, gezien het niveau van de meeste Griekse zeilers die in augustus vakantie vieren. Na een paar uur ruilen we en lopen wij Mandraki te bewonderen.

                                                                    

Het ligt aan de voet van een indrukwekkende zwarte rots waarop een Venetiaans fort torent. Vlak daaronder zetelt het spierwitte klooster Panagia Spiliani schuin boven het stadje, dat zijn voeten in zee steekt. De golven breken tegen de muren van de onderste huizen, een magnifiek gezicht!

                                                      

In het stadje slenteren we door kronkelige smalle straatjes, waar de kleurige balkonnetjes elkaar bijna raken, en over mooie pleinen met platanen, waaronder grote gezellige terrassen, waar we natuurlijk niet aan voorbij kunnen. Na een bezoek aan het balkon en de gangen van het klooster ( verder mogen we niet), zorgen we, voordat we in de kooi kruipen, voor een huurauto voor de komende dag.

 We maken een tocht over het prachtig groene vulkanische eiland, dat net als Santorini erg vruchtbaar is, maar oneindig veel mooier, groener en natuurlijker. In de boekjes staat dat het een unieke flora en fauna heeft. We zien hellingen met olijf-, dadel- en amandelbomen en rondom de azuurblauwe zee.

Natuurlijk bezoeken we allereerst de vulkaan. Het is de eerste keer dat we een nog levende vulkaan zien en we zijn verbaasd over de enorme vlakte gestolde en borrelende lava in de krater. Uit holen en spleten sist de hete gele zwavel naar buiten, de geur is werkelijk niet uit te houden. Op andere plaatsen staat de zwavelgele modder te borrelen en stijgen er stinkende stoomwolken op. Alles met elkaar is het een “hellisch” geheel.

Bello mag mee. Hij vindt het geweldig, huppelt en springt van het ene groepje bezoekers naar het andere. Tot we hem kwijt zijn. We ontdekken hem halverwege de kraterwand als een vogeltje op een uitstekend rotspuntje: het is hem te heet onder de voeten geworden! En hij heeft gelijk!

We eten in Nikiá, een dorpje op de rand van de vulkaan, je kunt de zwavel nog steeds ruiken, met kleurig geschilderde huizen, mooie kiezelmozaïeken en een heerlijk uitzicht over zee. Op de terugweg bezoeken we een hoog gelegen kerkje en twee rustiek weggestopte kloosters.

Op het moment dat we een leuk oud stadje op de noord-helling van het eiland willen bekijken - we willen er zó wonen - zien we vanuit de hoogte vanaf verschillende kanten op zee boten onze haven naderen. Als James Bond racen we naar beneden om de eerste klappen op te vangen en hadden geen seconde later moeten aankomen. Nu kunnen we nog net de nieuwe buren afhouden en op hun plaats helpen.

Vrijdagmorgen 26 augustus vertrekken we in alle vroegte. Ons doel is het eiland Symi, maar we gaan zo snel dat we voorzichtig tegen elkaar zeggen dat het misschien wel Marmaris kan worden. En om drie uur ’s middags laten we Symi aan bakboord liggen en stomen we door tot we om zeven uur en 72 mijl op de teller in “onze” haven aanleggen. We zijn na een rondje Egeïsche Zee van ruim 1250 zeemijl (+- 2.250 km) weer terug op de plaats van vertrek!

 

De Lycische kust van Turkije

We blijven ruim een week in Marmaris. Er moeten nieuwe rubbers in de zeewaterpomp gezet worden. Bovendien wil Gerhard het nodige onderhoud aan de motor plegen, omdat we er deze zomer er een enorme inzet van hebben gevraagd. Ik vind het heerlijk even rust te hebben omdat ik merk dat ik erg moe geworden ben. Bovendien blijk ik hoge bloeddruk te hebben. Deze haven is prima om weer van dit soort ongemak te herstellen: naast een dagelijkse gratis medische controle en de veel geroemde bibliotheek is er een zwembad met zonne- en schaduwbedden. Ik maak er dankbaar gebruik van.

Hierna begint onze luie tijd. We varen langs de Lycische kust, een wilde bergachtige streek die van Marmaris tot Finike, dicht bij Antalya, loopt, In de oudheid waren de zeerovers hier de baas. De kust is nog steeds wild, ingesloten door hoge bergtoppen doorsneden met diepe ravijnen en bedekt met maagdelijke pijnboombossen. Er rijzen kalkstenen kliffen recht uit de golven omhoog, kapen steken diep in zee en vriendelijke baaien bieden helderblauw water. Hieraan dankt deze streek zijn naam “de turkooizen kust”.

 We varen naar de prachtige baai van Fethiye, met zijn vele kleine eilandjes en liefelijke groene inhammetjes vol ankermogelijkheden. We ankeren bij Göcek, waar we altijd kennissen ontmoeten. De baai blijkt erg vol te zijn, maar we kunnen er nog tussen en blijven hier een kleine week, gevuld met niets doen. Daarna zeilen we naar het stadje Fethiye, waar het rustiger is, het stadje leuker. We leggen aan bij een heerlijk klein hotel met zwembad en ligstoelen aan zee onder de bomen. Ook kunnen we hier lekker eten, wat we graag doen samen met Nederlandse kennissen.  

Dan is het tijd om weer wat te ondernemen, want Amcke en Peter hebben hun bezoek aangekondigd en we willen graag met hen in deze schitterende baai zeilen. Dus als we nog ergens anders heen willen, moet het nu gebeuren! We varen naar Kas, een lief oud stadje, waar Maureen en John, een Engels echtpaar die we de eerste winter op de werf in Bodrum hebben leren kennen, op ons wachten. Ze komen ons al buiten de baai tegemoet varen, zo’n hartelijk welkom hebben we nog nooit gehad! Dit welkom wordt s’nachts luister bijgezet door een hevig onweer met zware windstoten. Onze twee schepen zijn op aanraden van Maureen, die het plaatselijke weer hier goed kent, de enige twee die van de kade afvaren om voor anker te gaan en we zullen het weten. Het onweert en stortregent en er staat een harde wind. Het ergst vind ik nog dat het water voor de kade spiegelglad blijft: daar staat dus geen zuchtje!

 Omdat de weersverwachting slecht blijft en de kade nu vol is, zijn we de volgende dag, na een bezoek aan John’s in aanbouw zijnde huis, verder getrokken met achterlating van veel vrienden, waar we nu helaas geen tijd meer voor hebben.

                                                                         

We hebben een slechte oversteek want het onweer, de regen en windstoten blijven ons vergezellen. Het is spectaculair om de wind en regen het zeeoppervlak te zien geselen, maar ook wel spannend of we op tijd aankomen. Door de harde wind komen we haast niet vooruit en de ingang van de baai naar Kekova  zal in het donker niet te bevaren zijn door de vele rotsblokken en eilandjes onder water. Via één van de twee westelijke toegangen bereiken we uiteindelijk toch nog bij daglicht  de Olü Deniz – de dode zee-, de minder dan een kilometer lange zeestraat met zijn verzonken steden (je kunt onder water hier en daar de restanten van muren en trappen zien en zelfs de kade van een haven). Als bij toverslag is de deining verdwenen en we worden aangestaard door de in bikini en zwembroek geklede bemanning van een Italiaans schip dat net de zee op wil gaan en vol verbazing onze zeilkleding bekijkt. Wij wensen hen op onze beurt veel succes in de hoge zeegang waar ze nu nog geen weet van hebben. Langs her en der liggende kliffen en eilandjes varen we naar de binnenzee Ücagiz Liman en leggen aan bij één van de drie steigers van het dorpje Ugacic.

                                                                

Dit dorpje is pas sinds kort over land bereikbaar via een nieuw aangelegde weg en heeft door zijn eeuwenlange afzondering zijn karakteristieke Turkse karakter behouden. Het wordt daarom opgenomen op de Wereldranglijst van de Unesco. De wegen in het dorp zijn nog niet geplaveid en door de regenbuien en de laaghangende wolken is het er nu of je terug bent in de middeleeuwen. Vlak buiten het dorp bevindt zich direct aan het water een necropool met rotsgraven en een groot aantal sarcofagen.

We maken vast aan de steiger van Onür en Jaqueline, zijn Nederlandse vrouw. De dag daarna lijkt het wel een reünie, er leggen twee Nederlandse boten aan die we nog kennen van de EMYR en een Nederlands stel dat we al eerder ontmoet hebben en dat zich voorbereid op de Vasco di Gama Rally, de al bijna beroemd geworden oversteek naar India. Dus ’s avonds met elkaar gezellig eten.

 Na drie dagen moeten we helaas opbreken om op tijd voor Amcke en Peter terug in Fethiye te zijn. We vertrekken s’ochtends vroeg in alle stilte en komen in de loop van de middag aan in Kalkan, voor ons een nog onbekende bestemming. Het stadje is amfitheatersgewijs rondom het haventje tegen de berg opgebouwd, zodat ieder terras zijn eigen zeezicht heeft. Ook vanaf beneden een feeëriek gezicht. Toch zullen we er de volgende keer met meer reserves binnenvaren want de haven is erg vol. Vanaf vier uur ’s middags worden er al boten geweigerd die buiten in een enorme deining de nacht voor anker moeten doorbrengen. De boten die wel in de haven liggen hebben hun ankers zodanig verstrengeld dat het wel een weefwerkje lijkt. ‘s Ochtends halen we als tweede schip dan ook vol spanning ons anker op en onder veel gekraak komt het onder de andere kettingen door naar boven. Met een zucht van verlichting varen we het haventje uit.

 In Fethiye hebben we een dag tijd om het schip klaar te maken voor bezoek. Dat betekent dat de in de loop der tijd steeds voller wordende gastencabines moeten worden leeggeruimd, de bedden opgemaakt en het schip moet worden gefoerageerd. Gelukkig heeft de supermarkt een speciale bestelbus voor de bevoorrading van schepen!

We hebben vier heerlijke dagen samen waarin er geweldig gezeild wordt. Een genot dat Amcke en Peter beiden goede zeilers zijn. Zij kiezen de bestemmingen en plannen de dag, wij laten ons lekker varen! De tijd is veel te snel om en er volgt weer een afscheid. Maar niet voor lang, want ook voor ons is de tijd op.

 We varen op 31 september terug naar Marmaris, onze winterhaven en laten daar nu nog wat extra zaken aan de boot doen. Dan gaat de boot uit het water, maken we hem winterklaar en gaan we weer naar Nederland.

                                                                   


 

Over
 ons
2001
Kroatie
 
2002
Kroatië
Griekenland
2003
Griekenland
Turkije
2004
15 e
EMYR
2005
Egeïsche Zee
2006
17 e
EMYR
2007 - 2008

Spelevaren

2009
20e
EMYR

 

Zeilen 
   met
Parkinson